Archive for oktober, 2012

Japonisme in muziek

Noot: dit stukje gebruikt veel links naar youtube filmpjes, trek genoeg tijd uit om alles even te ‘proeven’ zonder het helemaal te bekijken 🙂 Het is niet al te serieus bedoeld.

Enkele jaren geleden bezocht ik in Brussel de tentoonstelling Orential Fascination, over Japonisme in de beeldende kunst. Japowatte?
Kort gezegd, de invloed van Japanse beeldende kunst op Europese schilders, drukwerkers, beeldhouwers.. in de late 19e en vroege 20e eeuw. In de muziek bestaat er een soortgelijke stroming, hoewel het geen ‘school’ is. Vaak gaat het om geisoleerde nummers, waar op een niet al te authentieke manier een oosterse sfeer wordt gecreëerd. China, Japan, Vietnam, Korea.. in de wondere wereld van het muzikale Japonisme mag het allemaal op een hoop gegooid worden.

Al van jongs af aan herkende ik een soort Orientalisme in popmuziek. Sommige liedjes waren duidelijk bedoeld als Japans of Chinees klinkend, met als beste voorbeeld Kung Fu Fighting van Carl Douglas (slechts licht rascistisc gecoverd door De Strangers als Chop Choy Fighting). Eind jaren ’70 tot midden jaren ’80 waren de hoogdagen. Het grappige is dat veel van die muziek het beeld van een mythisch, mistig en bosrijk Verre Oosten wilde oproepen. Terwijl op dat moment China en Japan vooral veel beton, kaalkap en vervuiling kende. Ach jee, de jaren ’80 waren overal een tijd van lelijk beton, zie maar dit filmphje van de Confetti’s.

Mijn eigen interesse was gelegd toen ik 9 was. Tijdens een turnles legde juffrouw Yolande een plaatje op, Jan De Mosselman. Een krakend, bevend plaatje, waar toonvastheid een ver ideaal was. In plaats van me op het turnen te concentreren, zag ik een beeld voor mij. Nederlanders weten dat de mosselman uit Scheveningen komt, maar in de Belgische versie zingen we ‘de man van China en Japan’. En in een flits vond in mijn hoofd nucleaire fusie plaats. Ik herinnerde me een grote visvijver niet ver van waar we woonden, met een groot terras tot vlak aan de vijver. Dat gecombineerd met de een of twee nieuwsstukken die ik op de televisie moet gezien hebben over China, gecombineerd met het schelle hoge zingen van Chinese kinderplaatjes, zoals ik had gehoord in een sample van de Confetti’s C in China (rond 2:30).

Sinds dat moment heb ik altijd een zwak gehad voor dat Orientaalse Gevoel in popmuziek. Jarenlang heb ik in mijn hoofd proberen bij te houden wat ik hoorde dat in die categorie kon vallen.

Maar waar komt deze muziek vandaan, welk effect wilden muzikanten ermee bereiken? En horen we het ooit nog terug?

Beginnen bij het begin: ‘welke noten moet je spelen om Chinees of Japans te klinken’?

De karikatuur is dat als je enkel de zwarte toetsen op een piano speelt, dat je dan ‘Oosters’ klinkt. Dat is maar een stukje van de waarheid. In China en Japan worden heel veel verschillende toonaarden gebruikt, waarvan vele helemaal niet zo Oosters klinken. De Oeigoeren, Tibetanen en Mongolen in China klinken niet Chinees, de muziek van Okinawa klinkt als Indonesische muziek, niet als Chinees of Japans. (Al kan je zelfs een Arabische toonaard vinden in de muziek van Okinawa).

Jaja, allemaal goed en wel, wat is het dan *wel*?

Er zijn drie pentatonische toonschalen die duidelijk geschikt zijn voor Japonisme. Pentatonisch betekent ‘5 tonen’, dus we spreken over 3 verschillende manieren om een toonaard met 5 tonen te spelen. Deze drie zijn maar een kleine greep uit de vele mogelijke schalen, maar ze zijn het meest geschikt voor Japonisme.

  • Minyo: re, fa, sol, la, do (en terug re).  Klinkt heel open, denk aan een kleine boot op een mistige rivier.
    Authentiek gebruik: deze duellerende Shamisen spelers.
    Japonistisch gebruik: deze hoorde je aan het begin van C in China.
  • Miyako: re, mib, sol, la, sib (en terug re). Duidelijk droef, heel geschikt voor klaagliederen.
    Authentiek gebruik: deze evergreen tearjerker ‘Sakura’ op de Japanse koto.
    Japonistisch gebruik: in dit stukje Indische filmmuziek gezongen door the one and only Asha Bhosle.
  • Yo: re, mi, sol, la, si (en terug re). Duidelijk de vrolijke Frans van het gezelschap.
    Authentiek gebruik: muziek uit Guandong.
    Japonistisch gebruik: de grootste Japonistische hit ooit: Japanese Boy door Aneka.

Zo, dat hebben we alweer onder de knie, zoals Boes placht te zeggen. Klaar voor een duik in de geschiedenis?

The Founding Father

1971 – Het oudste voorbeeld is John Lennon’s Jealous Guy. Eigenlijk nog een pak ouder, want Lennon schreef het al in 1968. Hoewel het geen van de bovengenoemde toonaarden gebruikt, vinden we hier wel een ander duidelijk stijlelement van het Japonisme: het strijkarrangement. De glissando’s (het glijden van noot naar noot) die je hoort rond 2:06 worden later populair in Japan, waarmee de cirkel uiteindelijk rond wordt. Dat Lennon een Japanse vrouw (Ono) en een Chinese vriendin (May Pang) had speelt waarschijnlijk mee, al heeft nooit openlijk geflirt met Orientalisme.

1974 – Het is even stil, maar Carl Douglas gaf de aftrap met Kung Fu Fighting. Met de Yo-toonschaal in de melodie, de fluiten en strijkers en de glissando’s zijn alle elementen op hun plaats. Je kan het gerust exploitation-Japonisme noemen. De formule was zo perfect dat er eigenlijk geen vervolg op gegeven kon worden, want de toonschaal en het arrangement zijn bijzonder beperkend. Met andere woorden, je kan geen tweede Kung Fu Fighting schrijven zonder dat het exact hetzelfde klinkt. De fascinatie met kungfu films was ook groter dan met de muziek, en de hype leefde niet lang.

In hetzelfde jaar brengt John Lennon de zachte stijvolle variant Old Dirt Road, waar de intro en het arrangement tegelijk Americana en Japans klinken.

Exploitatie en experiment

1976 – Onze eigenste Rob De Nijs bouwt verder op de zachtere variant. In Het Werd Zomer zijn de gitaarriedels aan de intro en het einde van het refrein helemaal ‘in’, en het zachte strijkarrangement vult mooi aan. Waarschijnlijk was de Japonistische noot niet zo bedoeld, want de gitaar imiteert de klank van zeemeeuwen, maar de dictactuur van een toonaard duwde het nummer in de richting.
Strikt genomen geen Japonisme, maar toch een eervolle vermelding: Brain May schreef het geweldige Te o torriate (手をとりあって) voor het Queen album A Day at the Races. Met een stukje refrein gezongen in het Japans. Voor Japanners een zeldzaam plezier, en het nummer werd er als single uitgebracht.

1977 – Tijd om de exploitation-doos weer te openen, moet David Bowie gedacht hebben. Veel explicieter dan zijn China Girl kan het niet. 1977 zeg je? De single kwam toch uit in 1983? Inderdaad beste kijkbuiskindertjes. Bowie schreef het nummer in ’77 voor Iggy Pop, en hoewel het arrangement anders is, zijn alle elementen aanwezig in beide versies. China Girl komt terug!

1980 – In dit gezegende jaar (mijn geboortejaar) begint de stijlvollere variant aan invloed te winnen. De nerd-wavers The Korgis weven een fijne Japonistische tegenmelodie in Everybody’s got to learn sometimes, en de synthesizer (qua klank een beetje tussen een saxofoon en strijkorkest in) wordt een nieuw belangrijk element om de sfeer te maken. De band New Musik heeft bijna een album vol met Japo-new wave, waar de synthesizers en toonaarden de nummers dicteren, met het heerlijke World of Water als hit. En John Lennon pent nog het beklijvende Every Man Has A Woman neer, wat hem het dichtste bij exploitation brengt. De melodie, begeleiding, versieringen en zelfs de baslijn zitten vast in het stramien.  Een zekere Paul McCartney een instrumentaal deuntje op een synthesizer op zijn zolderkamer, wat als Frozen Jap op zijn album McCartney II terechtkomt. Daar horen we zo meteen meer over.
En hee, wie hebben we daar weer? Rob De Nijs is terug! Op Zondag combineert hij gitaren en synths die creatief binnen de limieten van het japonisme botsen. De intro lijkt dan weer een beetje gejat van Cliff Richard’s It’s so funny (now we don’t talk anymore).
Tot slot hadden de Engelse Vapors een kleine hit met Turning Japanese. Buiten de intro (die klinkt alsof het er tijdens de laatste minuut aan vastgeplakt is) is er niets Chinoiseriezig aan. De gitaarsolo doet een poging, maar klinkt eerder als een Brain May gitaarsolo op een jaren 70plaat van Queen.

1981 – De Britse Mary Sandeman pende het schoolvoorbeeld van Japonisme neer met haar Japanese Boy. Alle ingrediënten voor een foute boel zaten goed: een in het telefoonboek gevonden artiestennaam (Aneka), een liedje over een Japanner, maar met de eerder Chinese Yo toonschaal (wat haar een doorbraak in Japan kostte) en een heleboel faux pas’en in de kledij voor het promo materiaal, waaronder een onrespectvolle keuze voor haar kimono. Tot slot was de melodie en keuze voor synthesizer klank wel heel erg gejat van McCartney’s wegwerpdeuntje van vorig jaar. Meer dan een echte hit zat er voor Sandeman niet in.
Haar gebrek aan succes in Japan kreeg een vreemd staartje: het liet de deur open voor een andere artiest om met hetzelfde lied wél te scoren: Yukano Yamahuchi veranderde de naam naar Chinese Boy, versnelde het ritme wat en bam. Opeens lustten de Japanners het wel.

Stijlvolle popcrooners

1983 – Het succes van Aneka moet David Bowie aan het denken gezet hebben, want hij her-arrangeerde zijn China Girl en bracht het uit als single.  In goede chinoiserie-traditie gaat het gerucht dat Bowie geïnspireerd werd door een.. Vietnamese dame. De kleuren in de videoclip verraden dat hij werd opgenomen in een Chinatown in Australië met een Australisch-Chinese als model voor zijn muze.
Tegelijkertijd begint een subtielere versie van het Japonisme populair te worden bij de popcrooners. China Crisis maakt iets subtiels en moois met Wishfull Thinking.
Datzelfde jaar komt ook een vreemde eend in de bijt: de populaire Japanse componist Ruyichi Sakamoto schrijft de soundtrack voor Merry Christmas, Mr Lawrence (met, jawel, David Bowie) en het themanummer lijkt zo stereotiep Japonistisch dat het absurd wordt. De melodie, de klank van de klokjes en synthesizers, de echos.. het is een hoogtepunt in nep-Japanse muziek. Maar zo goed en beredeneerd dat het ook in Japan aansloeg. Er zijn talloze vocale versies, remixes, samples.. en het bepaalde ook het geluid van die andere populaire Japanse componist Joe Hisaishi, deze ‘acceptabele nep-Japanse muziek’ populair maakte bij generaties Japanners die opgroeiden met de films van Studio Ghibli en Takeshi Kitano. Hisaishi’s muziek in 1988 voor Tonari no Totoro (het thema The Wind Forest)

De Popjaren 80

Popmuziek bleef flirten met Japonisme, maar met de uitzondering van onze geweldige Sandra Kim bleef het bij onopvallende versiering, en bleef de exploitatie ver weg.

In 1984 horen we in Geh nicht in die Stadt (heut Nacht) van Juliane Werding chinoise gitaarbreaks. En de pop pletwals van Alphaville heeft haar grote hit te pakken met Big in Japan. Hoewel ze heel wat pentatonische sprongetjes gebruiken, zijn enkel de eerste maten ietwat Chinees. Het is wel het eerste nummer met een iets interessanter onderwerp, en vertelt over bands die groot zijn in Japan, maar thuis al lang geen kat meer interesseren. Big in Japan is vreemd genoeg een Duits fenomeen. Zangeres Sandra nam haar versie in het Duits op als Japan ist Weit, als debuutsingle na haar tijd met Arabesque. De verkoopscijfers waren rampzalig, maar ze beet door en had later toch een hit met Maria Magdalena. Ook de krautmetalen-Guano Apes (bekender van hun ode aan het snowboard Lords of the Boards) brachten een versie uit.

Twee jaren later, in 1986 zingt spring in’t veld Sandra Kim haar ode aan een Tokyo Boy. Veel dansbaarder en meeslepender dan Aneka of zelfs Bowie, opent de Italo-Waalse de deur voor Mylène Farmer en Patricia Kaas die hun muziek voor volwassenen met orientalisme spijzen, zoals Farmer’s Sans Contrefaçon in 1987 en Kaas’ Venus Des Abribus. Ook Fleetwood Mac kan de oosterse kruiden smaken, zoals je kan horen in het refrein van hun hit in 1987 Tell Me Lies. De jaren 80 sluiten af met de C in China van de Confetti’s in 1989, en in hetzelfde jaar legt de enige echte Phil Kevin zijn Kom Aan En Doe Het er vol mee. Waarna het een tijdje stil wordt.

Nieuwe eeuw, oude gewoontes

De chinoiserie steekt af en toe de kop op, maar de hoogdagen zijn voorbij. Aphex Twin schept een beeld van een verlaten plaza met fontein in een immens woud met zijn Hexagon op Selected Ambient Works vol 2 in 1992. Sleepy Jackson recycleert de strijkarrangementen en glissando’s in 2003 voor Good Dancers. We horen het in de gitaar voor St. Croix van Family of the year in 2012. Het fijnste arrangement is te horen bij the Go Team, op hun Secretary Song in 2011, maar ook Tegan and Sara laten zich inspireren door jaren 80 synthpop (en daarmee erven ze een Japonistisch refreintje) op hun Closer.

Wat brengt de toekomst?

Dat weet natuurlijk niemand, maar het lijkt er op dat de glorietijd van de jaren ’80 niet meer terugkomt. Ondertussen associëren we de muziek van China, Japan en Koreo veel meer met J/C/K-pop en techno, en hebben we gewoon dezelfde associaties niet meer die nodig zijn om een Japonisme nummer te doen werken. De interesse in de ‘echte’ muziek van het verre oosten pur sang had haar bloeitijd in de jaren ’80 en ’90, maar zit in een dipje. Het oosten wordt hoe langer hoe meer ook als een (economisch)  ‘gevaar’ gezien, wat de kans kleiner maakt dat we nog paternalistische deuntjes maken zoals Tokyo Boy. Net zoals de percussie uit de westerse klassieke muziek verwdween toen het Ottomaanse rijk een groot gevaar werd.  Terwijl wij naar grappige liedjes ‘over’ het oosten luisterden, luisterden ze het in het Oosten naar ons, wat hun muziek voorgoed veranderde. En vandaag horen we onze eigen muziek, via een spiegel, terug in hun muziek. De kleine subgroep van harde fans, die Japanse of Koreaanse soundtracks van films of videospelletjes kopen zullen op hun aankopen weinig ‘nieuwe’ oosterse muziek horen. Wanneer er iets origineels uit het oosten komt, zal het waarschijnlijk ontstaan zijn, daar waar mensen de draad van hun traditionele muziek weer hebben opgepakt, om er dan iets nieuws mee te maken.

Alle aanvullingen of correcties zijn welkom!

Advertenties

Herfst is hier

Maar tot nu toe betekent dat nog altijd droog en zonnig weer, en Suzu heeft zijn meerdere gevonden in de grote ogen van de grijze kat van de overburen. Fijn te zien hoe onze brutale jongen opeens poeslief is.

Om de een of andere reden heb ik vandaag wat last van heimwee. Maar karma kan goed zijn, tijdens een rondje joggen passeer ik een wedstrijd veldrijden in Bowen Park, hoor ik iemand cornet oefenen en biedt een tuinier gratis appels aan. ’t Zijn de kleine dingen…

Is besef wel hoe moeilijk het moet zijn om hier te boeren op grote schaal: tussen november en mei regent het bijna voortdurend en is er zo weinig licht dat er niets groeit. Tussen augustus en oktober is het mooi weer, maar poederdroog. In feite zijn er maar 2 maanden ‘groeiseizoen’ dus. Voor je kleine tuin is dat geen probleem. maar een grote boerderij zou zich blauw betalen aan irrigatie. Ironisch, op dit natte eiland.

Salt Spring Island

We trekken een dagje naar Salt Spring Island, beetje Gabriola in’t groot. Pottebakkers, boekenwinkels en een berg. Meer heb je niet nodig voor een goed eiland.

Het hoofddorp, Ganghes, heeft genoeg karakter om het speciaal te maken, maar hoofdattractie is de rallyrit om Mount Maxwell op te geraken. Er is geen verharde weg, maar de toeristische dienst belooft ons een heerlijk zicht. Dus, gas open, ogen dicht en de berg opstuiven. Het zicht is inderdaad heerlijk, en ik ben blij dat we aan de voet van de berg een andere wagen voorbijstaken. Die kwam een kwartier na ons aan.

We gaan nog op zoek naar Salt Spring Seeds, een boerderij die enkel zaad verkoopt, maar allemaal biologisch geteelde soorten die je zelf kan blijven doorkweken (in tegenstelling tot de meeste zaden in de winkel, die planten en groenten geven die onvruchtbaar zijn. Zo moet je zaad blijven kopen. De snoodaards…). Ik had een tijdje geleden zaad gekocht van hier, dus ik wilde een bezoekje brengen. De man zelve is ver weg op zn veld aan het werken, en mijn wilde gezwaai interpreteert hij als een vriendelijke groet. Hij werkt onverstoorbaar verder. We werpen een blikje op zijn indrukwekkende collectie en snorren dan weer terug naar het dorp, waar we nog een optreden meepikken van een viool en mandola spelende aboriginal muzikant. Dan nog geitenkaas inslaan, en hop weer de ferry op.

Cowichan Bay en alweer een jaartje ouder

Voor mijn verjaardag trekken we naar Cowichan Bay, waar ik mij goed kan voorstellen dat ik er heel hard van zal genieten wanneer ik 60 ben. Pittoresk, zoals dat heet. Maar de zon schijnt, we eten lekkere frietjes van yams (een soort zoete aardappel) en hangen rond aan de kade.

’s Avonds dacht ik lekker met N te gaan eten, maar ze had op Beach Party stijl (cfr de film met Frankie Avaolon en Anette Funicello) de keet volgestopt met vrienden. Mijn 30e verjaardag vierde ik alleen in een koude tent op de steppe. De 32e vier ik met vrienden in een warme bistro.

Tenugui project

Wat op aarde zijn tenugui? Om te beginnen, hoe spreek je dat uit? Te nu gwi komt in de buurt. Strikt genomen zijn het Japanse ‘zakdoeken’ die echter niet gebruikt worden om de neus mee te snuiten. In maart ging ik nog naar een tentoonstelling erover, in Burnaby.

Je kan er vanalles mee doen, cadeautjes inpakken, lunchpakket mee inpakken, tafelkleed, picnickleedje, ontelbare mogelijkheden. Ik hang ze graag aan de muur haha. Met spelden, bamboestokjes en twee ogen maak je je eigen hanger. Kleine tip van Thomas: wanneer je bamboe in stukken wil zagen, kleef dan wat schildertape naast de plek waar je wil zagen. Zo splintert het niet.

Bezigheid

We blijven wilde fan van handgemaakte kaartjes.

En tijdens een ronde joggen ontdek ik in Nanaimo een tweede ‘schrijn’. Hier geen playmobil, maar minstens even fascinerend.

Realiteitszin 1 – Avontuur 0

Samen met Kayle wilde ik me wagen aan een lang avontuur. Te voet van Nanaimo naar Victoria. Officieel is er het Trans Canada pad, dat zoiets mogelijk had moeten maken. Maar wat er op de kaart staat is niet altijd wat je vindt.

Het begint mooi, langs de top van het Extension Ridge trekken we weg van Nanaimo, en ontdekken een soort neo-paganistisch schrijn, dat Super Mario en playmobil integreert in haar cultus. Een stukje door wildernis en heide (heide is hier erg zeldzaam), en de Nanaimorivier is de moeite waard. Daarna begint de ellende.

Het grote probleem heet ‘proposed’. Het volgende deel van het pad is ‘proposed’. Deze brug is ‘proposed’. Met andere woorden, er zijn mensen die ervan dromen dat het ooit realiteit wordt. Maar toch worden de kaarten overal verkocht alsof je het traject effectief kan overbruggen. Zelfs op de Trans Canada website zeggen ze nergens dat het eigenlijk ondoenbaar is.

Mochten we geen loodzware rugzakken bijgehad hebben, dan hadden we de rivier overgezwommen. Maar we zien het pad niet aan de andere kant, en het is koud genoeg om flink ziek te worden mochten de kleren nat worden. Dus we beginnen aan ‘het omwegje’.

Na veel scha en schande, en kilometer na kilometer langs saaie gravelwegen (bedoeld voor de houtkapindustrie) door gerooide stukken bos… Veel pret is daar niet aan. De ‘aanbevolen omwegen’ (om de gaten in het trajct op te vangen) sleuren ons 4 extra uren langs berg en dal tot onze tong onder de tenen hangt. Hoewel er verschillende stukken erg mooi waren, is de conclusie gemaakt. Het Trans Canada pad bestaat niet. De enige manier om ‘het’ te volgen is je te laten afzetten op punt A, en weer oppikken op punt B.

Ook kamperen blijkt ondoenbaar. Er is maar een camping langs het traject tussen Nanaimo en Ladysmith, maar wanneer we  4 uren later dan gepland. eindelijk op de top van een meedogenloze heuvel, eindelijk aan de ingang staan, is er van een camping niets te zien. We bellen de receptie op, en de eigenlijke camping blijkt nog eens vier kilometer verder te zijn.

We hebben er genoeg van, bellen de cavalerie en keren terug naar de realiteit. Thuis krijg ik gelukkig een dubbele regenboog te zien, als goedmakertje.