Archive for juni, 2012

Multicultural Festival in the Old City Quarter

Op dezelfde dag als de Miner’s picnic valt het kleine multicultural festival van Nanaimo.

Het verschil is groot. Hier zijn vooral oudere en meer begoede Nanaimonaren bijeen. Fijnste cultuurclash die ik zie is een grote cirkel grijsgehaarde dames, blanker dan blank, die gefascineerd leren trommelen op djembés. Het wordt heerlijk wanneer ik een eenzame moslim in zijn infostandje zie zitten, tegenover het podium waar twee halfnaakte (Malay?) danseressen exotisch wiebelen en alle aandacht trekken. Het leven is niet fair, moet de arme moslim gedacht hebben.

De Oekraiense vereniging van Nanaimo blijkt groter dan ik dacht, ik hoop in de toekomst een van hun dansen te kunnen meepikken.

We passeren nog even het oude treinstation dat volgend weer een echt station wordt. De spoorlijn gaat opnieuw open, met als belangrijk verschil dat Nanaimo het hoofdstation op het eiland wordt, niet langer Victoria. Nanaimo, en het eiland, kunnen erg veranderen wanneer dit terug tot leven komt. En ik denk ten goede.

Helaas pindakaas, lang konden we niet blijven. Hop hop terug naar de Miner’s Picnic.

Advertenties

Miner’s Heritage Picnic

Een van de fijne initiatieven van het buurtcomité is de jaarlijkse Miner’s Heritage Picnic. Een familiedag waarop het mijnverleden in de verf wordt gezet. Voor veel mensen uit de buurt is het de enige keer in het jaar dat ze op een pony kunnen zitten, of op de draaimolen. Bij het opstellen om 7u sochtends herinner ik me de vele gelijkaardige ochtenden in België zoals fanfare eetdagen, mijn werk bij Kazou, of zoveel andere momenten. De typische ‘personages’ komen ook steeds weer terug: de lustige kok in korte broek die zich alleen om de kookpotten bekommerd, de plakkers, die die vooral op de foto willen met de burgemeester, de last minute gasten, de zware jongens die met tafels jongleren, de idealisten, het gekibbel over wat nu de beste manier is om een tent recht te zetten… heerlijk.

Redelijk uniek is de Pet Parade, waarin iedereen vooral zijn huisdier in het zonnetje zet. Boven alles is het een volksfeest in de ware zin van het woord. De mix is belangrijk. Van de mensen die vooral komen omdat er gratis pannekoeken zijn (“oef, toch 1 maaltijd vandaag”), de buren van het First Nations reservaat, de idealisten die de buurt willen verbeteren tot de vele jonge ouders die een unieke kans hebben hun kinderen iets te laten meemaken dat de rest van het jaar buiten budget ligt.

 

Great Scots! Trekken door Cape Scott

Vanaf dag 1 op Vancouver Eiland wist ik dat ik de het noorden ervan wilde zien. Nanaimo is de tweede grootste stad, en ten noorden van hier zijn enkel kleinere steden en dorpjes. De noordwestelijke kaap is een groot natuurreservaat (Cape Scott Provicial Park), en twee weken geleden begon ik ervan te dromen er naar toe te trekken. Zonder N is het echter niet makkelijk om uit Nanaimo te geraken. Enkel de Greyhound bussen verbinden sommige steden. Groot was mijn verbazing toen N zei “oh ik zal meegaan”.

Na het lange afzien in Strathcona vorig jaar deden we er alles aan om lichter gepakt te zijn. Lichter vuurtje (bedankt, Janina!), nieuwe slaapzak voor N, ultralicht eten (maar wel veeeel), eenpersoonstent voor ons tweeën etc.

We hebben ongelooflijk veel geluk met het weer. De westkust krijgt normaal gezien elke dag regen, maar we hoeven er enkel de eerste dag van te proeven. De regen die vorige week viel heeft jammer genoeg wel haar sporen nagelaten. De meeste paden zijn een dikke modderpoel. Hoewel er stukken boardwalk zijn. verstevigde planken die boven de modder moeten uitsteken, spenderen we toch meer tijd in de modder dan erboven. Het zoeken en klauteren met de kilo’s op de rug is een uitdaging, maar doenbaar.

We hebben maar vier dagen, en moeten de vuurtoren en de ruines van een oude Deense nederzetting achter ons laten. Deense nederzetting? Eind 19e eeuw bood Canada aan Denen aan om zich hier te vestigen. Maar als snel werd duidelijk dat de Denen zich cultureel wilden afzonderen. De federale regering wilde een tweede Québecq vermijden, en maakte het de pioniers niet makkelijk. Met als voornaamste hindernis het ontbreken van een landweg naar hun dorp. De nederzetting kon zich alleen over zee bevoorraden, en de meeste pioniers gaven al snel op. Later probeerde een nieuwe groep mensen het opnieuw in de San Joseph baai, in het zuiden van het park, maar het was hetzelfde lot beschoren door het gebrek aan een weg.

We volgen de lange, best saaie weg langs de oostkust van het eiland. Langs vele kleine stadjes, die mij eerder doen denken aan dorpjes in Namen en Wallonië dan aan Canada. Dan door het houthakkersdorp Holberg. Een griezelig leeg dorp, met een postkantoor en een saloon. Een saloon waar je als vreemde of als vrouw maar beter niet naar binnen gaat. Er is een school, hoewel er geen kinderen te zien zijn. Er is een sportveld dat bestaat een een meter verroest hek en gras. Wanneer het bosbouwbedrijf hier zou weggaan zijn de dagen van dit dorp op 1 hand geteld.

Dan verder holderdebolderen over de overharde baan (de vering van onze wagen is op een uur tijd twee jaar ouder geworden) en langs een vreemde “schoenenboom”.

Wij slapen een eerste nacht aan Eric Lake, in het midden van de jungle. Hoewel we beren hebben gezien vanuit de wagen, had ik weinig schrik. Tot we in de tent liggen. We hebben nog geen andere trekkers gezien in het park, de parking was uitgestorven, en ik voel me best kwetsbaar. We hebben het eten toch goed ver weg geborgen? We ruiken toch niet teveel naar eten? Ik weet niet eens hoe je een beer hoort aankomen… Ik slaap slecht.

De volgende ochtend leven we nog, en dat geeft moed. Natuurlijk.De tocht gaat verder over een plateau dat gek genoeg niet droger is dan de laaglanden. Het is een groot moeras. Ogen ophouden. N zakt regelmatig diep weg, en ik ben blij dat de modder duidelijk ietsje droger is dan gisteren. Maar N’s schoenen zijn al na een half uur door en door nat en zwaar. En toch klaagt ze niet. Geweldige madame. Er liggen een paar achtergelaten werktuigen langs de baan, en we zien oude grenspalen van wat ooit velden waren. Ongelooflijk hoe snel de natuur dit gebied opnieuw geclaimed heeft.

We trekken tot aan Nissen Bight, waar we op het strand zullen kamperen. Hier ontmoeten we een drietal trekkers die de lange weg aan het afleggen zijn van het oosten van het park tot aan het zuidwesten. Ze zijn via boot aan de tocht begonnen (de oostelijke kant van het park is niet over land bereikbaar), en zien er na vijf dagen behoorlijk moe en mager uit. Ik deel onze salami met hen en dan zetten we de tent een beetje verder op. Op ons “ideale” plekje zien we verse berensporen, maar ik heb meer moed dan gisteren en ik besluit vertrouwen te hebben.

We filteren en koken water uit een rivier. Best omslachtig. Deze tocht doet ons wel inzien hoe fantastisch het eigenlijk is om thuis gewoon de kraan te kunnen opendraaien en fris, lekker drinkwater te hebben.

Wanneer we rond ons kampvuur (N heeft een kleine obsessie met vuurke stook) nog wat van de zonsondergang genieten passeren er nog twee trekkers die zich serieus miskeken hebben op de planning, waarvan eentje uit.. Leuven. Haar metgezel is parkwachter in Yellowstone Park in de VS. We gingen net slapen en bieden de twee uitgeputte trekkers aan om ons kampvuur over te nemen en dichtbij te slapen.  Ik zeg hen dat het plekje net onder ons waarschijnlijk ok is voor het hoogwater. De Yellowstone parkwachter knikt goedkeurend en ze zetten hun tent op.

sNachts word ik wakker van luid beukende golven. Ik weet dat ons plekje veilig is, op een verhoging waar gras groeit, maar de tent onder ons ligt vee lager. Ik steek mijn kop uit de tent en zie tot mijn ontzetting dat de golven op enkele meters van hun tent spoelen. Als een maniak begin ik te rekenen om te weten hoeveel uren langer het tij nog zal opkomen. En hoewel ik keer op keer mezelf probeer te overtuigen dat dit wel echt het hoogste tij is en dat ze veilig zitten kan ik toch niet slapen tot veels te vroeg in de ochtend. Zorgen om een ander…. het zou niet mogen.

We staan vroeg op en trekken tot aan San Joseph Bay voor de laatste nacht.Onderweg worden we ingehaald door een groep van 10 oudere heren die de lange trek samen afleggen. Ze komen vanuit alle hoeken van Canada, en hebben lang gepland om dit te kunnen doen. Ze boezemen ontzag in, zeker wanneer we pas later leren dat ze gebroken ribben en verbrandde voeten met zich meezeulen.

We komen twee parkwachters tegen wiens “shift” van twee weken erop zit. De vrouwelijke helft van het duo zat met schrik omdat een groep wolven haar een tijd gevolgd was.

Tegen de avond bereiken we de baai. De kust is een fascinerende combinatie van bred zandstrand en rotsen, en  voelt aan als decor van een piratenfilm. Die avond hangt er spanning in de lucht. Ik wil de volgende ochtend nog snel Mount Saint Patrick op en af, voor we terugrijden. N is ervan overtuigd dat we te laat zullen om voor het donker de baan weer op te kunnen. Ik probeer haar te verzekeren dat ik het zal halen, en dat als de tijd zou dringen ik gewoon terugkom en niet kopppig zal voortproberen om de top te bereiken. N ziet in mij een koppigaard zoals alle mannen en voelt zich als enige verantwoordelijk voor de timing. We willen geen van beide toegeven. We komen een parkwachter tegen die ons verzekerd

dat de klim haalbaar is in de tijd die ons rest.

De volgende ochtend is het duidelijk. Er wordt niet gezeverd. Ik weet dat ik mijn belofte kan waarmaken om op tijd terug te zijn (dat moet wel, anders zal ik door het hoge tijd vastzitten op een ander strand, en uren moeten wachten om weer terug te kunnen). The stakes are high. Als ik op tijd terugben kan ik N´s vertrouwen in mij versterken en eventjes haar held zijn. Als ik faal dan hang ik.

De klim is veel stijler, glibberiger, natter, schuiverigerig en klauterigerig dan al de vorige dagen samen.  In een staat van opperste concentratie, en na veel gevloek, geraak ik op de top. Ik besef dat ik welgeteld vijf minuten heb om ervan te genieten. De afdaling is minder zwaar maar het slipgevaar des te groter.

Groot, immens, is mijn opluchting wanneer ik op tijd terug ben en op het (gelukkig nog droge) strand mijn eega zie wandelen. En oef, jawel, ik ben haar helf voor een dag 🙂

Terug op de parking waar we moe en vuil en droog nog een laatste hap koken voor we weer urenlang de onverharde baan op mogen. Tegelijk met ons komt een groep jonge trekkers aan, die hier opgehaald zullen worden door een shuttlebus. Ze hebben ook het lange traject gedaan. Hun haantjesgedrag steekt me wat tegen. Wat zij gedaan hebben is bewonderenswaardig, maar voor twintigers niet moeilijker dan onze kortere toch voor ons was. Geef mij dan maar de tien oudere heren die hun lijden stil droegen.

Geef mij maar gewoon een dagje strand

Soms kan het eenvoudig zijn. Een heerlijk rustig strandje in Elliott Beach Park, aan de overkant van de baai van Ladysmith. Pootjebaden en ervan dromen om hier terug te komen met een kayak of kano.

Niet de mijnen van Moria, maar van Morden

De geschiedenis van Nanaimo kan je samenvatten met twee woorden: mijn en bouw. Ook buiten het huidige stadscentrum waren er flink wat mijnen. En hoe verder buiten het zicht, hoe meer de eigenaars de mijnwerkers probeerden uit te buiten. Deze kleine mijn was erg afgelegen, maar speelde toch een belangrijke rol in de grote stakingen. Vandaag blijft er niet veel van over, al gaan er wel stemmen op om het geraamte beter te beschermen, en er misschien een educatief centrum rond te bouwen.

Mount Benson, tweede poging

Gelukkig bestaat er zoiets als koppigheid. Met Kayle, maar zonder Jolene, waag ik een tweede poging. We geraken boven, maar het dikke wolkendek maakt het resultaat niet zo bevredigend. Wordt vervolgd, jawel!

Kopje thee, lang geen gek idee

We trekken een namiddagje naar Cowichan, ten zuiden van Nanaimo. Een koppel heeft er een thee boerderij opgestart. Hun theeplanten moeten nog een jaar langer groeien eer ze een eerste keer kunnen oogsten, maar ondertussen kweken ze allerlei kruiden om hun eigen unieke thee varieteiten te maken.

Zoals het hoort voor een goede neo-hippie zijn ze ook kunstenaar. Met aardig aardewerk als gevolg.